
![]()
The
"White Horse II" was just in time ready to take part in the Dutch
Championship in September 1978, at the Flevohof (nowdays Walibi Flevo NL). There
were 15 tractors present in the free-class. The White Horse Team however, kept
out of the prices because of transport problems and difficulties with the weight
of the tractor. This was the last race in 1978. In the first year the White
Horse Team excists, they gain three times a place of honour. In the time between
October 1978 and February 1979 the White Horse Team was growing: Cor Manders,
Piet and Wim Kuypers, Piet and Jan v.d. Oever joined the team. In this team of 8
persons the idea of a new and stronger tractor came into their mind: "White
Horse III".
![]()
Na deze prestaties kwam Willie van Dommelen uit Odiliapeel het duo versterken en
samen hebben ze de “White Horse(I)”.In de periode van 3 tot 23 september
1978 verbouwd naar White Horse (II) de vorm die de trekker nu nog heeft. Tot 3 september had de
trekker de afmetingen van een normale landbouwtrekker. Daarna is de lengte
veranderd van standaardlengte tot 4,50 meter, gemeten van hart achteras naar de
voorkant van de trekker. Er werd ook een extra versnellingsbak ingebouwd, zodat
de trekker in elke versnelling 7 combinaties kon maken met een totaal van 50. De
“White Horse” is geheel volgens de N.T.T.O.-reglementen gebouwd. Na deze
veranderingen kreeg de trekker de naam van “White Horse II”.
In 1979 brachten Jacobs en van
den Oever hun activiteiten onder in de Stichting Udense Supertrekker. Het team
had in de winter een tweede tractor gebouwd (White Horse III) en dus stond
nummer twee op het tweede plan. Toch was de machine nog niet afgeschreven, zeker
niet toen deze net als White Horse III door sponsor De Molen werd voorzien van
opgesneden vliegtuigbanden. White Horse II bleek uitermate effectief om te gaan
met de 120 paardekrachten die de DAF leverde. Full pulls duurden zo'n anderhalve
minuut, zodat het sleepwagenpersoneel ruimschoots de tijd had om een shagje te
draaien. Het ging dus niet snel, maar wel ver. En in een perfecte balans. Dat
bleek onder meer op de Nederlands en de Europese kampioenschappen, waar Jan van
den Oever de titels veroverde. Vooral de Engelse delegatie keek toch wel wat
sip. want die had gerekend op de 1600 pk sterke Snoopy
De machine uit Uden leverde dan ook een topprestatie. die ze later nooit
meer wist te evenaren. Dat kwam ook omdat de trekhaakhoogte werd teruggebracht
van 60 naar 50 centimeter. Na her seizoen 1980 ging White Horse II met pensioen
De machine is nog steeds in bezit van de S.U.S.
![]()
The problem was how to get the
tractors and all the materials to the races. The tire trading company "De
Molen" in Reek (province Noord-Brabant) provided a truck and a truckdriver
Peter v.d. Akker, who transported us to all the races and tractor pulling
events. At the same time "De Molen" developed special tires and rims
for our tractors. And so became "De Molen" our first sponsor. Besides,
different companies in Uden (province Noord-Brabant) gave their support to the
White Horse Team. The members of the White Horse Team spent every free hour to
make the tractors ready for the first European Indoor Tractor Pulling
Championship in the Ahoy Hall in
![]()
In de periode van oktober 1978
tot februari 1979 is het Udense team weer in aantal gestegen, nl. Cor Manders,
Piet en Wim Kuypers, Piet en Jan van den Oever kwamen erbij. In deze club van 8
personen werd het idee geboren een nieuwe trekker te bouwen “White Horse
III”
Wedstrijden en de resultaten:
24 mei 1979 Wierden
“White Horse II” behaalde de 5e plaats
26 mei 1979 Anhold (D.) Demonstratie, omdat het weer te slecht was voor een
wedstrijd
10 mei 1979 Waarland White Horse III behaalde de 1e prijs in de 4,2 en 5,5 ton
White Horse II behaalde de 3e prijs in de 4,2 en 5,5 ton vrije.klasse.
23 juni 1979 Valkenswaard. Het Udense team heeft samen met de motorclub
Valkenswaard en Banden handel "De Molen" een trekker trek wedstrijd
georganiseerd op het Euro circuit. Er waren 16 trekker in de vrije klasse White
Horse III werd 1e en White Horse II wist de 3e plaats te behalen. Na deze
wedstrijd is de koeling van de White Horse III verbeterd.
Ze werden die dag eerste tijden
de eerste Europese Indoorkampioenschappen gehouden op 23 febr. 1980 te Rotterdam
A-hoy en georganiseerd door de Stichting Indoor Trekker Trek (SI TT) Met deze
pull waren een in een korte perioden reeds twee internationalen titels behaald. Gerrit van den Oever en Piet Jacobs zijn de chauffeurs van de “White Horse
III” Jan en Piet van den Oever zijn de chauffeurs van de “White Horse II”.
vanaf dat moment zijn er twee White Horse supertrekkers die proberen om beide
zoveel mogelijk prijzen in de wacht te slepen.
|
29 sept. 1979 |
Flevohof (NL.) Europees
kampioenschap |
WH II Europees kampioen |
Er waren 35 Nederlandse, 5
Engelse en 4 Duitse teams aanwezig voor dit spannend kampioenschap.
In het blad Trekker -Trek 3e. jaargang nr4. december 1979 kunt u alles nog eens
nalezen over deze uitslagen.
Ook was White Horse III met 19 sec. de tweede achter Snoopy uit Engeland die met
15 sec. de snelste Europeaan was. En de langzaamste was White Horse II met 97
sec.
Lees verder in The Puller (NTPA) National Tractor-Pullers Assn., INC. van febr.
1980 page 8. Het verhaal "How the "Super Tractor Pulling Team"
from Uden, Holland became European Champion.Als wedstrijd jaar was 1980 niet zo
geweldig voor het team er kwamen in snel tempo nieuwe teams aan de start met
prima verzorgd materiaal, zodat ook wij snel aan iets anders moesten gaan denken
om nog langer in de top te kunnen draaien.
Dan was er ook nog het vele sleutelen tussen de wedstrijden door, er waren in
1980 al door het team 15 wedstrijden verreden buiten de shows, en het zelf
organiseren van twee wedstrijden Valkenswaard en Wanroy.
In februari 1979 diende zich bij sportpaleis
Ahoy’ een geheel nieuwe tractor aan. Het was White Horse III, een machine die
in eerste instantie ieders attentie trok vanwege het fraaie schilderwerk op de
spatborden en de grote motorkap. Wat er onder die motorkap zat, bleef lange rijd
onzeker, want het plaatwerk was zodanig gesloten, dat je nergens naar binnen kon
kijken. Naar we later hoorden bleek het te gaan om twee Oldsmobile V8-motoren
met twee automaten, die naast elkaar voor een Belarus achterbrug waren geplaatst.
De machine was voorzien van gecoverde vliegtuigbanden die door sponsor De Molen
van een nieuw profiel waren voorzien op dezelfde wijze als tegenwoordig de
nieuwste-banden. Dat die ‘radiaalbanden’ niet onder alle omstandigheden veel
grip boden, werd op de wedstrijd in Raalte in 1979 duidelijk, toen een regenhui
de baan kletsmat maakte. Het was een van de snellere machines uit die tijd, die
het in de vrije klasse 5,5 ton op moest nemen tegen een regiment diesels,
waaronder stalgenoot White Horse II.
In 1980 werd de Belarus achterbrug vervangen door een vrachtwagenas, de banden door Goodyear 28.1x26 Power Toque-exemplaren. De achteras sneuvelde al meteen en werd vervangen door een as van een ASJ laadschop. De machine verhuisde ook naar de 4,2 ton klasse, maar dat bleek voorals nog geen succes. De voorzijde van de machine was te zwaar. In 1981 keerde de machine dan ook terug naar de 5,5 ton. Als banden werden 20.8x42 Kleber banden gemonteerd, die al snel weer het veld moesten ruimen omdat ze onreglementair waren. De Firestone 30.5x32-banden gaven minder problemen. Hoewel de machine een vijftal wedstrijden won, was het nooit een hoogvlieger als je keek naar de pure resultaten op de baan. Na afloop van het seizoen 1981 besloot her team van de Stichting Udense Supertrekker zich te concentreren op zijn nieuwe paradepaardje, White Horse IV, dat in april 1982 zijn maiden pull maakte. Het oude paard ging naar de slager...

![]()
On
![]()
Dan had het team nog de gedachte, en de moet gehad om bijna een Ford 7000 om te
bouwen tot een Superstock, maar dit plan is later toch maar weer afgelast. En
omgezet naar een nieuw idee de White Horse IV. Het idee kwam uit de wedstrijd
van A-Hoy 1981 waar Woody Funk (Boss Moss, single Allison) zijn met hun machines
te gast waren. en daar een demo gaf, en ons het idee om er een te bouwen, lees
verder White Horse IV.
Op 13-04-1981 arriveerde de eerste Allison vliegtuigmotor via Schiphol in Uden,
en toen begon de bouw van de White Horse IV deze machine zou het voor de
toekomst moeten gaan maken ruim duizend horse power had deze trekker dan aan
vermogen.
Maar dat het bouwen allemaal verre van eenvoudig zou worden werd al zeer snel
duidelijk, van de motor was nul komma nul informatie aanwezig, en er moest een
speciale Hays koppeling besteld worden is U.S.A. om dit vermogen over te kunnen
brengen naar de aandrijflijn. En ook de achteras, frame, enz. alles moest nieuw
gebouwd worden, dan de White Horse III en (White Horse II stond in het Autotron
museum Drunen )waren er ook nog, en de twee wedstrijden die we organiseerde. Ja
we hadden het soms nog drukker dan een bedrijf. Maar langzaam maar zeker kreeg
de machine zijn vorm. Op de wedstrijd van 30 augustus 1981 te Wanroy was de
trekker voor het eerst te zien maar kon nog niet deelnemen aan de wedstrijd. Dat
was pas in april 1982 op de door het eigen team mede georganiseerde wedstrijd in
Valkenswaard zo,n twee jaar na het besluit deze machine te gaan bouwen was hij
deelnemer aan de strijd. Op dat moment had de (S.U.S.) "Stichting Udense
Supertrekker" in iedere vrije klasse een trekker op de wedstrijdbaan
gebracht. De White Horse IV in de 3,4 ton, White Horse III in de 5,7 ton en
White Horse II in de 4,4 ton vrije klasse. Op zeer korte tijd werden White Horse
II en III om financiële reden uit de strijd genomen, en ook het onderhoud en
transport was te veel van het goede. Popeye en Greenmonster hadden ieder in
februari 1982 hun tractor al wedstrijd klaar uitgevoerd met een Allison als
krachtbron in de 5,7 ton vrije klasse. Door de geringe kennis van de Allison
motor braken er enkele drijfstangbouten, waardoor de motor bijna onherstelbaar
werd beschadigd tijdens de wedstrijd van Brecht in België dit was vlak voor de
thuis wedstrijd van eind augustus 1982 in Wanroy. Slechts vier dagen na het
gebeuren was de nieuwe motor thuis en 12 uren later stond de trekker weer aan de
start tijdens de wedstrijden in Wanroy, dit was een knap staaltje van team werk
voor die tijd. Met dank aan Jan van Alphen die ons het adres van de beroemde
Allison kenner E.J. Potter had gegeven, waardoor deze snelle handel had kunnen
plaatsvinden vanuit U.S.A..
Lees "Super Stock & Drag Illustrated's PULLING POWER vol.2, nr.4 winter
1982" voor een technical story op pagina 68 Almighty Allison - The glowing
history of the Allison and where it's going.
Trekker-Trek 7e jaargang februari 1983 nr.1 pag. 16 "De Allison V-1710
Motor"
In de winter van 1983/84 werd de machine verandert zodat deze in alle gewicht
klasse kon rijden.
Dan kwam in 1985 het eerste boekje uit "Vrije Klasse" Een beeld van
kracht-techniek en vindingrijkheid. Samenstelling Henk Hoekstra (ISBN 90 6892
001 4 ) in dit fotoboekje staan 61 vrije klasse deelnemers met de technische
gegevens die in 1985 actief waren bij de N.T.T.O.
In het blad "Boerderij -71 van 15 januari 1986" stond een special van
White Horse IV en op dat moment waren we best trots op de prestaties de lijst
met overwinningen tot dan met de verschillende White Horse trekkers zag er als
volgt uit: vier keer Europees kampioen, drie keer Nederlands kampioen, twee keer
"Puller of the Year" (een onderscheiding voor het team met de meeste
wedstrijdoverwinningen in een jaar).
Portret
White Horse IV
Tien
seizoenen aan de top
In
1982 werd de Nederlandse tractor pulling wereld verblijd met de komst van het
nieuwste raspaard uit Uden, White Horse IV. Het was een vrije klasse tractor die
zijn jaren ver vooruit was. Een ongekende verhouding tussen vermogen en gewicht
liet het Nederlandse publiek kennis maken met het begrip wielspin. White Horse
IV werd een echte topper. Vormde in de eerste jaren het overschot aan vermogen
de sleutel voor het succes, later toonden de Udenaren zich ware meesters in het
benutten van elke paardekracht die de Allison leverde. Nu, na tien seizoenen,
staat de machine nog steeds aan de top. Een unieke prestatie.
-
door Tony Herbrink -
We schrijven 30 augustus 1981. In de tent op het wedstrijdterrein van De Bergen in Wanroy drommen de mensen samen om maar een glimp te kunnen opvangen van de nieuwe White Horse. Het was de eerste Allison motor die in een Europese tractor werd gemonteerd. Voor het Nederlandse publiek was een Allison iets totaal nieuws. Alleen Boss Moss van de Amerikaan Woody Funk was eerder dat jaar in Ahoy' te bewonderen geweest. White Horse IV was echter nog niet wedstrijdklaar, zodat de echte Allison-primeur voor Popeye en de Duitse Green Monster was. Lady Diana was overigens de eerste Nederlandse machine die met een (Rolls-Royce) V12 vliegtuigmotor over de baan ging.
Op 25 april 1982 stond de nieuwe White Horse IV in traditioneel-fraaie beschildering klaar voor de eerste wedstrijd in Valkenswaard. De mannen uit Uden hadden hun huiswerk goed gedaan, want met twee full pulls won de machine op haar eerste wedstrijd de vrije klasse 3,4 ton. Toch was driver Pieter Jacobs niet echt tevreden, want de snelheid die de Udense supertrekker op de zandbaan bereikte, viel toch enigszins tegen. Om even het tijdsbeeld te schetsen: tweede werd toen Renosaurus (viermaal Renault V6) voor Double Trouble (nog met carburateurs).
Die
eerste wedstrijd gaf al aan waar het White Horse team de grootste problemen kon
verwachten, namelijk bij het aan de grond brengen van de circa 1400
paardekrachten, die garant stonden voor een toentertijd ongehoorde verhouding
tussen vermogen en gewicht. De Firestones waren nog niet van enig rubber ontdaan
en de handbediende Hays koppeling werd ineens losgelaten, zodat het met de
imposante wielspin (géén 180 kilometer per uur overigens...) een crime was om
'boven te blijven'. Een groot probleem vormden de banen van inferieure kwaliteit
en de sleepwagen die nauwelijks op gang te brengen was. Een zwak punt van de
machine werd gevormd door de ZF versnellingsbak.
Donkere wolk
Een
veel groter probleem voor de Udenaren waren de gevolgen van een wedstrijd in het
Belgische Brecht, waar de motor in puin werd gedraaid. En dat een week voor de 'eigen'
wedstrijd in Wanroy. Door tussenkomst van Jan van Alphen kon het team bij E.J.
Potter een nieuwe krachtbron bestellen en in Wanroy liep het beestje toch weer.
Het voorval was een van de donkere wolken in het bestaan van White Horse IV.
Tijdens het Nederlands kampioenschap op Flevohof sneuvelde de versnellingsbak
weer, maar ditmaal gelukkig zonder consequenties op het motorische vlak.
Gelukkig ging het tijdens de Europese titelstrijd op Flevohof veel beter.
Ondanks een slippende koppeling werd White Horse IV Europees kampioen in de
vrije klasse 3,4 ton. De eerste titel was binnen.Na nog een jaar actief te zijn
geweest in de lichte klasse koos het team uit Uden in 1984 voor de vrije klasse
4,4 ton. Daartoe werd de machine voorzien van een Fuller versnellingsbak en in
de wielen zo'n 600 kilogram wielgewichten. De concurrentie heeft de overstap
ongetwijfeld betreurd, want de combinatie bleek in de eerste jaren nauwelijks te
kloppen. Het beschikbare vermogen werd dan ook zeer efficiënt aangewend, wat
zeker op kwalitatief mindere banen zijn voordelen had. Niet voor niets werd
White Horse IV gebombardeerd tot 'kampioen van de zandbanen'. In 1985 werd de
Europese titel in de vrije klasse 4,4 ton veroverd. In
de eerste jaren kon White Horse IV tot grote prestaties komen dank zij het
surplus aan vermogen. De concurrenten kwamen echter ook met veel meer
paardekrachten op de baan en zij vormden dan ook een ware bedreiging voor de
Udense machine. De eerste aanvallen konden nog worden afgeslagen; met een
perfecte balancering en juiste overbrengingsverhouding kon White Horse IV vaak
veel sterkere tractoren achter zich houden. Toch
bleek een chronisch gebrek aan vermogen uiteindelijk niet meer te compenseren
door rijkunst, zeker niet in de vrije klasse 4,4 ton. De Udenaren werkten voor
de zwaardere klassen dan ook aan een andere krachtpatser, White Horse V. Het
ontwikkelen van de nieuwe supertrekker vroeg zoveel tijd, dat White Horse IV in
1988 noodgedwongen in de romneyloods moest blijven staan. De come-back in het
daaropvolgende jaar, met uitsluitend deelname in de vrije klasse 3,4 ton, was
echter weer ijzersterk. White Horse IV bereikte de derde plaats in het nationaal
kampioenschap. Op Europees niveau bleek het gebrek aan vermogen weer parten te
spelen en kwam de machine niet verder dan een zesde plaats.
Lichte klasse
Het
White Horse team zag eigenlijk maar één mogelijkheid om met de IV op Europees
niveau weer een leuk deuntje te kunnen meeblazen. Met de successen van Super
Spetter in het achterhoofd kozen de acht Udenaren voor de vrije klasse 2,4 ton.
Er was echter ook nog een andere reden. Pieter Jacobs: 'Met de IV zijn we in de
3,4 en 4,4 ton Europees kampioen geworden en met de II zijn we in de 5,5 ton
Europees kampioen geworden. En dan is het natuurlijk een makkelijk rekensommetje,
nietwaar. Dan blijft alleen nog de 2,4 ton over. Dat was ons streven. Dan zouden
we de eerste zijn die in al die jaren in alle klassen Europees kampioen is
geweest.' White Horse IV kreeg een
drieversnellingsbak die door Wienik van Diest werd geconstrueerd en werd
voorzien van aluminium velgen met 24-kams Firestone banden. Om nog meer gewicht
te winnen moest al het onnodige van de machine af en werd de scharnierende
vooras vervangen door een star exemplaar met smalle wielen. Op
15 juli 1990 reed White Horse IV in Bakel voor het eerst in de vrije klasse 2,4
ton. Op het Brabantse zand bleek de 'kampioen van de zandbanen' nog wat
gewenningsproblemen te hebben. De eerste rit eindigde buiten de baan. Deze valse
start van het seizoen leverde daarmee slechts twee punten op in de strijd om de
nationale titel en - voor de Udenaren eigenlijk het hoofddoel - uitzending naar
de Europese kampioenschappen in Duitsland. De wedstrijd in Cadzand werd wel
gewonnen, maar in enkele andere wedstrijden bleek de kwaliteit van de baan
ontoereikend om het vermogen te doen spreken. Het leek erop dat de historie zich
hier herhaalde. Op de A-wedstrijd in Terwolde
liep het team in een proeftrek tegen grote motorische problemen op. Het bleek
dat de lagers van de krukas eruit lagen, terwijl ook de krukas zelf was
beschadigd. Opnieuw pakten zich donkere wolken samen. Van
alle doelstellingen voor het seizoen 1990 kwam dus helemaal niets terecht. Het
was hard werken om in 1991 weer op de baan te kunnen komen, zeker omdat White
Horse V en de trekker-opleggercombinatie ook onderhoud behoefden.
Niet lekker
Voor
de eerste wedstrijd draaide de motor echter weer, maar al in Wierden bleek dat
de Allison nog niet lekker liep en niet de hoeveelheid paardekrachten
produceerde die er normaal van verwacht mochten worden. De zwarte rookpluimen
uit enkele uitlaten deden vermoeden dat er op een of andere manier olie boven de
zuigers terecht kwam. Na het vervangen van de cilinderbanken ging het echter
weer veel beter met White Horse IV. In de B-divisie werden in de vrije klasse
2,4 ton vijf wedstrijden op rij gewonnen, waardoor het team ook de nationale
titel behaalde. In de 3,4 ton waren er ook vijf overwinningen te vieren, maar
Red Devil, die twee wedstrijden meer had gereden, ging hier met de hoogste eer
strijken. In de vrije klasse 3,4 ton van de A-divisie werd een uitstekende zesde
plaats in het Nederlands kampioenschap behaald. Dank
zij de goede verrichtingen van White Horse IV in de vrije klasse 2,4 ton kwam de
machine ook in aanmerking voor deelname aan de Europese kampioenschappen in
Engeland. Bijna was het daar de Udenaren gelukt hun vijfde Europese titel in de
wacht te slepen. Tegen de ongeveer 2400 pk van de twee Chevy 526 motoren van
Limited Edition viel echter niet op te boksen. Met de tweede plaats liet White
Horse IV wel zien na tien seizoenen nog steeds aan de top te staan.
Tien seizoenen aan de top is bepaald geen sinecure, zeker als je bedenkt dat de
machine in hoofdlijnen hetzelfde is gebleven. Hoe is dat eigenlijk mogelijk in
de enorme ontwikkeling die de sport heeft doorgemaakt? Pieter Jacobs: 'Hoe dat
kan? We kwamen toen met een unieke trekker, die door de jaren heen goed mee kon
doen. In de vorm zoals hij nu is, want hij is in feite altijd zo gebleven. We
hebben er wel wat kleinigheidjes aan veranderd, maar in principe is hij nog
hetzelfde als in 1982. In het begin hadden we eigenlijk wat minder tegenstand,
later werd het toch wel wat moeilijker. Maar nu in de B-divisie gaat het ook
heel goed.' In ieder geval mogen de Udenaren
zich erop beroepen dat ze hun machine in één keer goed hebben gebouwd. En dat
is in deze sport wel eens anders.
Hoe lang nog?
White Horse IV draait dus al een aardig poosje mee, maar hoe lang kan de machine de strijd met de concurrentie nog aan? Pieter Jacobs: 'Als we er eventueel nog een alcoholinjectie op kunnen bouwen, kan hij in de 2,4 ton altijd nog een twee of drie jaar mee. In de B-divisie zeker, ook in de 3,4 ton.' Grote veranderingen zijn er ook na tien seizoenen op het hoogste niveau bij White Horse IV niet te verwachten. Wel hoopt het team nog altijd eens een keer de carburateur te vervangen door een alcohol-injectiesysteem, maar Pieter Jacobs geeft wel aan dat dat nog wel even op zich kan laten wachten. 'We zitten er eigenlijk al een jaar of twee over te denken om er alcoholinjectie op te bouwen, maar het geld is er nog niet voor. We moeten het al vier of vijf jaar zonder sponsoring stellen en dan is het toch wikken of wegen.' White Horse IV gaat dus zonder grote veranderingen zijn elfde seizoen in. Dat klinkt alsof het om een oldtimer gaat, die af en toe nog eens de ketting strak mag trekken, maar niets is minder waar. In de B-divisie zal er strijd worden geleverd om twee nationale titels, terwijl de combinatie in de A-divisie wellicht nog eens een prijsje weg weet te slepen. Maar het team van de Stichting Udense Supertrekker hoopt dat de machine, die wordt gereden door Willem van de Laar en Pieter Jacobs, altijd nog eens die Europese titel in de vrije klasse 2,4 ton verovert. De enige die het team nog niet heeft. In vier klassen Europees kampioen, het zou een unieke prestatie zijn van een al even unieke machine.

Dan hadden we in 1982 nog eigen vervoer aangeschaft een truck met oplegger en
ook deze moest van de grond af weer geheel opnieuw worden opbouw, zodat deze
verkeers veilig was, en geschikt om de wedstrijd tractoren mee te vervoeren.

![]()
"White
Horse V"is the tractor of which the contruction-time was the longest of all
the tractors before. In August 1981 the White Horse Team bought two Curtis
Wright R3350-36W 54.9 Liter 18 cylinder radial engines from Mantel in
STAR BREEDING
If
you want to compete in the top equestrian events, constant improvements in your
bloodlines through breeding will be required. The "White Horse" team
accept this ethos and are busy producing a new bloodline in their fifth racer, a
racer that must be stronger have a higher reliability and be lighter than its
parents. The spectators at many events will not even see the difference as
"White Horse" five appears on the outside a replica of its father.
Flevo super pull: no White Horse five, in Catzand no White Horse five and in the
last event of the
IMPOSSIBLE
TASK.
The wright is clearly not a engine that can be easily uprated. It's a thoroughly developed engine, with lots of ingenious ingredients, not to be tampered with. Lots of gearwheels and tiny gearwheels, all of them as light as possible and built-in as compact as possible. Still our men from Uden are going to uprate their engine, because putting a second one in is imposible, they could never keep it in the fixed limits because of the enormous size (1.60 meter diameter, and a weight of 1600 kg.) By uprating the engine they not only make it stronger, but more reliable as well. Having a whole season without any problems, is their goal. The uprating started by studying the two-part workshopbook, which was quite a job according to Gerrit van den Oever. Finally our men came to the conclusion that alcoholinjection was the simplest and most efficient solution, because alcohol also prevent the engine from overheating. And that's exactly the bigest problem. Especially for the oil this is very favourable, keeping its correct viscosity. The chance of the exhaust turbo's loosing control is reduced as well. Total alcoholinjection also means an advanced ignition because alcohol has a lower burning speed. Here the double ignition plugs come in handy. These are taking care of an even burning, quicker up to temperature and quicker out. Another plus is the fact that alcohol has a higher energetic value than aircraft fuel, conventionally aeriated creating aproximately 6 % and much more, compressed. Furthermore alcohol has an extremely high "knock" resistance which means you can raise the compression enormously. Theoritacally a compression ratio of 15 to 1 by an unblown engine is possible. In the Wright's case the second position of the compressor comes in very handy. With that position you can simply raise the compression. Grinding the heads of a Wright just is not possible, because the complete cylinderhead is screwed on to the cylinderbarrel interference fit, and it is lmoust impossible to take it apart. Theoretcally you can grind the cylinder foot but practice proves it will become too weak and thus will twist. The oil, limiting the speedrange of the exhaust turbo's also has to be adapted to these higher pressures.Engine(standard)
Cont ltr. Weight Power.
Power/ ltr. Power/ kg.
Allison
27 700
1400 pk
52 pk 2.0 pk
RR
Griffon 36.7 900 2000
pk 60
pk 2.4 pk
Wright
54.9 1600
3700 pk
67 pk 3.3 pk
![]()
Tekst: Martin van Raay Trekker november 1988.
Tien jaar na de eerste White Horse is er nu de White Horse V. met een unieke
stermotor.
Een nieuwe ster aan het
firmament van de trekkertrek, aldus de teamleden.
Het loopt tegen de avond. Het Oostbrabantse land Iigt sereen na te genieten van
een onverwacht- zomerse dag. De redactie is op zoek naar de geheimen van het
White Horse-team; naar de splinternieuwe trekker die het op de laatste
wedstrijd van dit seizoen op de Flevohof zo goed deed. Vanuit de verte zijn door
een openstaande deur van een Romney-loods activiteiten te ontwaren. Een van de
teamleden komt naar buiten. De begroeting is vriendelijk. In de loods wacht iets
op ons, waarvan maar weinig mensen de details weten. Vanuit de namiddagzon
stappen we het Schaars verlichte duister binnen. Voor ons twee reusachtige
banden, het ken merk van een vrije klasse trekker. Tussen de gereedschappen door
banen we ons een weg naar de voorzijde van de White Horse IV. Daar staat hij in
al zijn overrompelende glorie: de Curtiss Wright 18 cilinder stermotor. Vlak
ernaast half onder een zeil nog een los exemplaar, meer dan manshoog.
Samen Uren Sleutelen (S.U.S. ?)
Vliegtuigmotoren in V-12 vorm
zijn in de tractor pulling- wereld al gemeengoed. Grote Rolls-Royce’s en
Allisons verschaffen het materiaal waar full pulls mee gemaakt worden. De
stervormige vliegtuigmotor is echter uiterst zeldzaam. De Hulk en de Rising Star
hebben het in Nederland geprobeerd en in Duitsland rijdt de Komet ermee, maar
veel succes hebben de sterren nog niet behaald. Daarin hoopt de SUS, de
Stichting Udense Supertrekker (ook wel uitgelegd als ‘Samen Uren Sleutelen’)
verandering te gaan brengen. Hoewel hij op afstand iets weg heeft van de
turbinemotor van Dombo, is een ster of radiaalmotor wel degelijk een viertakt
motor met zuigers. De cilinders staan echter niet in lijn of in V-vorm, maar als
de stralen van een ster rond de krukas.In het geval van de Curtiss Wright
R3350-36WA van de White Horse (die onder andere in de Neptune, het onderzeeboot
bestrijdingsvliegtuig van de Koninklijke Marine, gebruikt werd) telt de motor
twee ‘cirkels van negen cilinders elk. Een zuiger zit met de drijfstang vast
aan een grote schijf. De andere acht zuigers zijn aan de rand van deze schijf
bevestigd.Integenstelling tot de eerste zuiger niet star, maar scharnierbaar. In
het midden van de schijf zit een ringwiel, dat excentrisch rond de krukas draait.
Zodoende kunnen de zuigers op en neer bewegen en zet de schijf die beweging om
in het draaien van de krukas. Dit laatste doet den ken aan de Wankelmotor, waar
de driehoekige rotor ook excentrisch rond de krukas draait.
Natrium en titanium
Met de plaatsing van de zuigers houdt het nog niet op wat betreft
verrassende details. Alles aan een stermotor is vreemd. Elke cilinder heeft een
in- en een uitlaatklep, die niet door een nokkenas, maar door een nokkenschijf
bediend worden. De klepstelen zijn hot en gevuld met natrium, dat via de steel
de warmte afvoert en zo de temperatuur 150 à 200 graden verlaagt ten opzichte van ongekoelde kleppen. De
cilinders hebben ieder twee vliegtuigbougies en de ontsteking geschiedt met vier
magneten en twee verdelers. De motor bestaat uit titanium en een speciale
legering van onder andere magnesium. Een zo sterk materiaal, dat het erg veel
moeite kostte om er een monster van te nemen. De motor is luchtgekoeld en elke
cilinder heeft een koeloppervlak van maar liefst 14 vierkante meter. Omdat de
NTTO een afscherming rond de motor verplicht stelde, was het White Horse team
genoodzaakt op de een of andere manier voor de nodige koellucht te zorgen. Het
kostte heel wat hoofdbrekens om dit probleem op te lossen. Een schoepenwiel op
de propas werd overwogen, maar uiteindelijk is gekozen voor vier elektrische
ventilatoren in de achterkant van het motoromhulsel.
Water/alcoholinjectie
De boring en slag van 155,6 en
160,2 millimeter leveren een gigantische cilinderinhoud van 54,9 liter. Dat zijn
zo'n 30 Golfjes GTI. Via een compressie van 6,7:1 levert het bij 2800 toeren een
slordige 3700 pk. En dat zijn ruim 34 GTI’s, wat meteen verklaart waarom je zo
weinig Golfjes voor de sleepwagen ziet. De ademhaling wordt geholpen door een
supercharger die zesmaal de krukastoeren draait en met 3,5 bar in het
inlaatspruitstuk blaast. De zuurstof wordt gemengd met vliegtuigbenzine (geen
kerosine!) van 120 tot 140 RON. Als de supercharger een bepaald toerental loopt,
wordt via de onderdruk automatisch de water/alcoholinjectie ingeschakeld. Aan de
uitlaatzijde wordt energie ‘teruggewonnen’ door de schoepenwielen in elk der
drie meer dan armdikke pijpen. In tegenstelling tot turbo’s die de inlaatlucht
comprimeren, geven deze schoepenwielen via een vloeistofkoppeling hun energie af
aan de krukas.
Versnellingsbak
Achter de motor staat een echte
‘versnellingsbak die het toerental van de uitgaande as vijftig procent
verhoogt. De ervaring met de White Horse IV leerde dat dit essentieel is als je
de koppeling heel wilt houden. Die koppeling is een 5- plaats Hayes die een
aluminium Fuller 3-bak voedt, welke op zijn beurt het vermogen doorgeeft aan de
versmalde Iveco achteras met verzwaarde steekassen, naafreductie en schijfremmen.
De schijven met een diameter van zestig centimeter zijn zelfgemaakt, de
remklauwen komen uit de USA. Daar komen ook
de aluminiumlegering velgen vandaan die plaats bieden aan 24-kams 30.5 x
32 Firestone pullerbanden. Het geheel hangt in een stalen chassis van
kokerprofiel, grofweg in de vorm van een ladder met een ‘buik’ waar de motor
zijn plaats heeft. In de chassisbalken wordt de 140 liter motorolie opgeslagen.
Aan die olie voegt men ‘Moton’ van Porinoma toe; een in Nederland ontwikkeld
additief dat PTFE, oftewel teflon, bevat en dat de wrijving vermindert. De
fabrikant gaat nauwkeurig in de gaten houden hoe zijn product zich houdt in deze
bijzondere trekker. Om opstartslijtage nog verder te onderdrukken wordt voor het
starten de olie door de kanalen gepompt. Waarom heeft men gekozen voor een
stermotor? Gerrit van den Qever (33 jaar en de driver van de White Horse V):
‘Omdat ‘ie veel vermogen heeft. We wilden een trekker met veel vermogen en
met maar één motor. Een
trekker met vijf motoren is in onze ogen kwetsbaarder dan een met maar één
motor.’ Al voegt hij er meteen aan
toe: Hoewel één ook kwetsbaar
kan zijn.’ Wat het team aan den lijve ondervond toen men de in 1982 gekochte
motor ingebouwd had.
Hardstikke
vast
Bij
de eerste start liep deze motor meteen. Tot het team van de handgedoseerde
brandstoftoevoer (alias het infuus) overstapte op de carburateur. Toen sloeg hij
af en bleek de carburateur vervangen te moeten worden. ‘Bij de eerste testtrek
leverde hij geen vermogen, zegt Gerrit, omdat een brandstofpomp problemen gaf.
Dat kan, tenslotte zitten er drie op: twee voor de benzine en één voor de
alcohol. Daarna waren er problemen met de startmotor, maar ook toen wilde ‘ie
nog niet trekken. Bij inwendig onderzoek bleken ‘de zuigers hartstikke vast te
zitten. Toen hebben we besloten een nieuwe motor in te bouwen, zegt hij, alsof
het om een setje bougies ging. Het karwei kostte zes weken en de eerste motor
staat nu terzijde, als onderdelenleverancier voor de andere, die in 1984 gekocht
is en tot nu toe minder problemen geeft. Zeer gewaardeerde hulp bij het
sleutelwerk kreeg het team van Piet de Haan en Jaap van Oort,
vliegtuigmotordeskundigen. Ook het handboek bleek van onschatbare waarde,
getuige het opschrift: Houd mij schoon!! Ik ben zeerzeldzaam. Buiten is het
inmiddels nacht geworden. ‘Volgend jaar wordt het menens, zegt Gerrit, en er
schitteren strijdlustige sterretjes in zijn ogen.
Techniek White Horse V
Sterfokkerij
Als je in de paardensport aan de top wilt meedraaien, dan moet je constant
fokken. Fokken aan opvolgers, vaak met nieuwe, betere bloedlijnen. Het White Horse team zag dat in en werkt hard aan een
nieuwe bloedlijn voor zijn vijfde renpaard. Een renpaard dat niet alleen krachtiger, maar vooral betrouwbaarder en het liefst ook lichter
moet worden. De argeloze toeschouwer zal het niet zien, want de vernieuwde White Horse V gaat qua uiterlijk sprekend op zijn 'vader'
lijken.
- door Bennie Vreemann -
Flevo Super Pull: geen White Horse V. In Cadzand evenmin. Op de laatste NK-wedstrijd dikke rookwolken. White Horse V was dit jaar
een middenmoter. Een tegenvallend seizoen voor de mannen uit Uden. Na drie seizoenen meegedraaid te hebben in de top hadden
ze zich dit seizoen toch wat anders voorgesteld. Zou je zeggen.
Toch is dit niet helemaal waar. Natuurlijk probeerden de White Horse mannen hun V naar de top te sturen, maar de succesvolle revisie
van de oude IV vergde veel tijd. Daarnaast staken ze al energie in de
verjongingskuur van de V. We zochten het White Horse team op en bekeken of het opvoeren van de Wright stermotor technisch mogelijk
is. Daarbij vroegen we ons af wat ze uiteindelijk willen bereiken met het opvoeren. Evenveel of meer vermogen halen uit de zware, o zo
complexe stermotor dan uit twee Griffons of drie Allisons lijkt
onmogelijk.
Groots
Om een inzicht te geven in wat een Wright allemaal herbergt aan techniek, nemen we de motor stapsgewijs met u door. White Horse
V is uitgerust met een Wright type R 3350-36WA stermotor. Dit is meteen het zwaarste type. Er bestaat ook een qua gewicht lichtere
Franse versie (zoals de Deense Star Fighter gebruikt) met hetzelfde
motorvermogen. Overigens heet de motor gewoon Wright: Curtiss-Wright (Corporation) is de naam van het concern waartoe Wright
Aeronautical Corporation, de producent van de achttiencilinder stermotor,
behoort. De motor is globaal opgebouwd uit vijf afzonderlijke delen. In het eerste deel zit de overbrengingskast van de krukas naar de propeller.
De krukas drijft niet rechtstreeks de propeller aan. Het gaat hier om een planetair stelsel met maar liefst 21 tandwielen. Het planetair
stelsel verlaagt het toerental (overbrengingsverhouding 0,4375:1). Het tweede deel, het motorcarter, bestaat uit vier tegen elkaar
aangeschroefde 'deksels'. De carters zijn tussen de cilinders en over
de boringen van de cilinderrijen deelbaar. Met een speciale sleutel zijn de bouten om de motor te delen door de cilinderboringen te
bereiken. 216 bouten houden de deksels lekvrij tegen elkaar. De doorsnee van een carterhelft is ruim 90 cm. Op dit carter zitten de 18
luchtgekoelde cilinders. Maar liefst 396 bouten houden de cilinders
netjes op hun plaats. De cilinders hebben elk een inhoud van 3,04 liter (boring x slag van
155,6 en 160,2 mm) Om u een idee te geven: een cilinder van een Griffon heeft ongeveer dezelfde inhoud. Verder heeft elke cilinder
twee met natrium gevulde kleppen. Het natrium zorgt ervoor dat de temperatuur van de kleppen ten opzichte van gewone kleppen
ongeveer 175 graden lager is. Om het enorme zuigeroppervlak compleet te bestrijken heeft elke cilinder twee bougies, net als bij een
Griffon of Allison. Het koeloppervlak per cilinder is 14 m2. Ondanks
dat grote oppervlak wordt de motor nu nog vaak te heet. Een kale cilinder weegt 27 kg. Apart is dat de zuiger is uitgevoerd met een
zwevende pistonpen. Verder is de zuiger opvallend plat (10 cm). Dit kan omdat de cilinders relatief ver van de krukas zitten. De maximale
hoek tussen zuiger en drijfstang blijft vrij klein, waardoor het
kantelgevaar klein is. Omdat de zuigers zo plat zijn, wegen ze maar drie kilo per stuk.
Deelbare krukas
Centraal in beide carterhelften ligt (natuurlijk) de met twee kruktappen uitgeruste krukas. Apart is de bevestiging van de drijfstangen aan de
krukas. De kruktap loopt niet door de drijfstangen, maar door een dubbele schijf. Deze dubbele schijf zit star aan een drijfstang (het
exemplaar dat verticaal staat, in verband met de balans). De overige
acht drijfstangen zijn rondom scharnierend tussen de dubbele schijf bevestigd. Als de krukas draait, houdt de starre drijfstang de dubbele
schijf netjes in de juiste stand, de schijf kan dus niet verdraaien. Deze twee dubbele schijven (elke cilinderrij ‚‚n) zijn niet deelbaar.
Om ze te demonteren of om de krukas te demonteren moet je de
deelbare krukas uit elkaar draaien. Dat kan bij de beide kruktappen. De kruktap zit namelijk met behulp van een speciale rekbout om de
krukwang geklemd. Om deze los te draaien gebruik je een speciale, 2,5 meter (!) lange sleutel. Je moet met twee man aan het eind van
de 'sleutel' gaan hangen om de bout los te krijgen. Om de enorme krachten in het blok soepel op te vangen is de krukas
gelagerd in rollagers, de drijfstangschijf en drijfstangen lopen in glijlagers. Het kleppenmechanisme werkt (ouderwets) via tuimelaars
en stoterstangen. De stoterstangen worden op hun beurt aangedreven door een tweetal nokkenasschijven. Deze schijven
hebben binnenvertanding. De aandrijving hiervan loopt via een tandwielcombinatie vanaf de krukas om de vertraging van 1 op 2 te
krijgen. De schijven liggen aan beide buitenzijden van de carterhelften.
Uitlaatturbo's
In deel drie huist de overbrenging van de drie uitlaatturbo's. De armdikke uitlaten van zes cilinders monden te samen uit in een
uitlaatturbo (met een diameter van 30 cm). De drie uitlaatturbo's geven elk hun energie via een haakse overbrenging af aan elk een
eigen vloeistofkoppeling, die op zijn beurt via een tandwielcombinatie de krukas
aandrijft. Met dit zogenaamde turbocompound-systeem benut de motor de stuwkracht van de uitlaatgassen. Het toerental van het schoepenwiel
wordt aan de bovenzijde begrensd door de viscositeit van de olie. De schoepenwielen draaien maximaal 24.000 tpm. Als de uitlaatturbo te
hoog in toeren komt, breekt een speciale 'breekschoep' af. Die kort de overige schoepen een centimetertje in, zodat de turbo zijn
vermogen verliest. Je kunt dus ongehinderd doorrijden zonder gevaar voor motor of
mens.Na de uitlaatturbo's komt deel vijf, de compressor. Deze compressor, een centrifugaalcompressor, kent twee standen.
Normaal staat de compressor in de laagste stand. Hij draait dan zes maal het krukastoerental en levert 2,5 bar overdruk. In stand twee
draait de compressor acht maal het krukastoerental. Deze stand is oorspronkelijk bedoeld voor vliegen in ijlere lucht (op grote hoogte).
Je moet die ijlere lucht immers meer samenpersen om die 2,5 bar overdruk te
halen. De compressor stuurt ook de waterinjectie en de alcoholinjectie aan. De mannen uit Uden rijden altijd in stand ‚‚n. Ze vliegen immers
(nog) niet.
Dat brengt ons meteen bij het laatste deel van de motor: het aandrijvingshuis van de drie brandstofpompen, de oliepompen en de
vier ontstekingen. Twee brandstofpompen transporteren vliegtuigbenzine van 120-140 RON, de derde neemt de
alcoholinjectie voor zijn rekening. De vliegtuigbenzine wordt niet in de enorme carburateur verneveld, maar gaat rechtstreeks naar de
inlaatcompressor. De carburateur meet en regelt de luchtstroom en stuurt vervolgens de brandstofvoorziening aan.
Onmogelijke opgave
De Wright is duidelijk geen standaardmotortje dat zich gemakkelijk laat
opvoeren. Het is een ver doorontwikkelde motor, met tal van ingenieuze
ingredienten, waar je beter vanaf kunt blijven. Vele tandwielen en tandwieltjes, allemaal zo licht mogelijk uitgevoerd en
zo compact mogelijk ingebouwd. Toch gaan de mannen uit Uden de
motor opvoeren. Want een tweede motor plaatsen is onmogelijk. Deze kunnen ze door de enorme grootte (1,60 meter diameter en
1600 kg zwaar) niet binnen de vastgestelde maten houden. Het opvoeren van de motor moet deze niet alleen sterker maken, maar
vooral ook betrouwbaarder. Het hele seizoen probleemloos meedraaien is hun voornaamste
uitgangspunt. Het opvoeren begon met het bestuderen van het tweedelige
werkplaatsboek. Volgens Gerrit van den Oever een klus op zich. De heren kwamen afgelopen winter tot de slotsom dat alcoholinjectie de
eenvoudigste en meest doeltreffende oplossing was. Voordeel van alcohol is dat de motor minder heet wordt. En dat is nu juist het
grootste probleem. Met name voor de olie is dit gunstig, deze behoudt beter zijn juiste viscositeit. De kans dat de uitlaatturbo's op
hol slaan is dan veel kleiner. Volledige alcoholinjectie houdt ook in dat de ontsteking flink vervroegd moet worden. Alcohol verbrandt immers
traag. Hier komen de dubbele bougies van pas. Deze zorgen ervoor dat de verbranding sneller op gang komt en dus ook sneller verloopt.
Ook de energetische waarde van alcohol is ten opzichte van de vliegtuigbrandstof hoger, ongeblazen zo'n 6%, geblazen vele malen
meer. Verder heeft alcohol een uitermate hoge klopvastheid. Dat betekent dat je de compressie enorm kunt opvoeren. Bij een
ongeblazen motor is theoretisch een compressieverhouding tot 15 : 1 mogelijk. In het geval van de Wright komt de tweede stand van de
compressor goed van pas. Daarmee kan de compressie eenvoudig worden opgevoerd. Koppen afvlakken is er bij een Wright niet bij,
omdat de gehele cilinder inclusief kop uit ‚‚n stuk is gemaakt.
Theoretisch kan de cilindervoet worden afgevlakt, maar de praktijk heeft geleerd dat deze dan te zwak wordt en dus zal kromtrekken.
Ook moet de olie, die het toerental van de uitlaatturbo's begrenst, worden aangepast aan deze hogere
drukken.
Alcoholproblemen
Begin dit seizoen begonnen de mannen uit Uden voorzichtig met alcoholinjectie te experimenteren. Voor een Wright is geen standaard
injectieset, zoals bijvoorbeeld voor een Allison, te koop. Zelf een alcoholinjectie bouwen is niet eenvoudig. Dat ondervonden de
mannen al snel. Het begon met gecorrodeerde carburateurleidingen omdat het daar toegepaste aluminium niet alcoholbestendig was. Dit
probleem is opgelost door aparte leidingen aan te brengen.
Een volgend probleem vormden de glijlagers van de centrale drijfstangschijven. Als deze te warm worden, krimpen ze van de
motor af. Door de passingen in de drijfstangschijven iets te verruimen (lichtere perspassing) is het probleem in eerste instantie
opgelost. Door de toerenbegrenzer te wijzigen hadden ze het toerental van de motor al verhoogd van 2700 tot 3400 tpm. Hoger kan
niet, omdat dan de zuigersnelheid te hoog wordt. De mannen gaan
ervan uit dat nu de sleepwagen in combinatie met de juiste versnelling het toerental begrenst. Lukt dit niet, dan breekt vanzelf
een breekschoep in de uitlaatturbo. Andere mogelijkheden om het blok verder op te voeren zijn er eigenlijk niet meer. Men heeft met
vliegtuigmotor- deskundige Piet de Haan als eens voorzichtig gesproken over een derde cilinderrij, maar dat levert zoveel
technische problemen op dat deze optie bestempeld is tot droom. Denk eens aan het balanceren van de eigengemaakte krukas, de
distributie, de uitlaatturbo's, om maar niet te praten over
hitteproblemen met de middelste rij cilinders. Hoeveel vermogen de motor gaat leveren, durft Gerrit van den Oever
niet te zeggen. 'Dat weten we pas als we getrokken hebben, dat is de eerlijkste en beste graadmeter.'
Koppeling
Dan komt het volgende probleem, de koppeling. Nu kan de al verzwaarde 11 inch koppeling het vermogen amper aan. Om de
koppeling niet te laten slippen, moet men meteen volgas van start gaan. Spelen met het gas om in het begin een betere grip te krijgen
is er niet bij. Het liefst zou het team een 12,5 inch koppeling plaatsen of het toerental van de huidige 11 inch koppeling verhogen. Nu draait
de koppeling anderhalf maal het krukastoerental. Sneller staat het NTTO- reglement niet toe. Gezien het relatief lage toerental dat de
koppeling dan maakt (5100 tpm) ten opzichte van de V8's is volgens Van den Oever een hoger toerental best verantwoord. Als de NTTO
daarvoor een uitzondering wil maken in het reglement, dan scheelt dat meteen de nodige problemen in de verdere aandrijflijn. Deze zal
sneller draaien, dus blijft het koppel nagenoeg gelijk (mits de snelheidstoename dezelfde is als de vermogenswinst). Ook hebben
ze dan meteen de wielspin verhoogd, iets wat nodig is om de toppers enigszins bij te kunnen
benen.
Gewicht
Maar we zijn er nog niet. Naast het opvoeren willen de mannen het gewicht zover terugbrengen dat ze in de vrije klasse 3,4 ton uit
kunnen komen. Nu weegt de V kaal vier ton. Dat betekent dat er nog Omdat ze het planetair stelsel (propelleras) al vervangen hebben
door twee tandwielen valt daar weinig winst te halen. Enige winst
kunnen ze daar nog boeken door een planetair stelsel te plaatsen, maar dat komt de balans niet ten goede. Verder kan het frame nog
wat lichter worden gemaakt. Opgeteld scheelt dat een keer 200 kg. Het enige wat nog rest is een lichtere Franse motor te monteren.
Maar deze mag dan niet te zwaar worden belast, omdat anders de (lichtere) cilinders krom
trekken. Daar staat tegenover dat de balans van de machine er niet beter op
wordt. Nu al ligt het zwaartepunt relatief hoog: als de aandrijflijn recht naar achteren komt te liggen (bij het monteren van een planetair voor
de koppeling), kantelt de motor wat achterover. Het zwaartepunt komt dan nog hoger te liggen. Bovendien wordt het uiterlijk er niet
fraaier op. Dat laatste telt ook zwaar mee bij de Udense mannen. We mogen dus gerust stellen dat het niet eenvoudig is om de V op te
fokken tot een regelrechte titelkandidaat. De gecompliceerde motor
en de ongunstige balans verhinderen dit. Toch gaan de mannen uit Uden door met de experimenten aan de ster. Niet omdat ze per se
willen winnen, maar gewoon om mee te doen. Mee te doen met een exclusieve trekker, die niet alleen sterk is, maar er ook mooi uit ziet.
Als het de mannen lukt om meer vermogen uit de motor krijgen, en
we White Horse V volgend jaar dus pijlsnel over de baan zien schieten, dan weten we ‚‚n ding zeker. Hier is een knap stukje werk
geleverd. Hopelijk ziet het publiek dat ook.
Meer adempauze
Gerrit van den Oever pleit voor meer adempauze in het seizoen. Afgelopen jaar stond bijna elke week een wedstrijd op het
programma. Hierdoor heb je amper tijd van sleutelen. Het meedoen wordt dan een langdurige wedloop tegen de klok. Een langer seizoen
met wedstrijden eens in de veertien dagen geeft de teams meer rust. De tractoren zullen beter geprepareerd op de baan verschijnen. Dat
komt het wedstrijdelement alleen maar ten goede. Organisatoren van wedstrijden profiteren hier ook van, omdat de kans dat op een
compleet deelnemersveld groter is. Daarnaast wijst Gerrit erop dat het hele tractor pulling gebeuren
voornamelijk een hobbykwestie is. Evenals bij vele andere teams staat bij het White Horse team niet het winnen, maar het meedoen
centraal. Dat laatste vormt bij steeds meer teams een probleem.
Motoren op een rij
Als je de technische gegeven van een Allison, een Griffon en een Wright op een rij zet, dan blijkt dat een Wright standaard per liter
inhoud het meeste vermogen levert. Dat betekent dat dit blok standaard ook het meest opgevoerd is, en dus het moeilijkst op te
voeren is.
motor (standaard)
inh.(l) gewicht
vermogen verm./l
verm/kg
Allison
27
700 1400
pk
52 pk 2,0
pk
RR
Griffon
36,7 900
2000 pk
60 pk 2,4
pk
Wright 54,9 1600 3700 pk 67 pk 3,3 pk

![]()
On
![]()
12 april 1994 kwam White Horse VI in actie in de 3,4 ton vrije klasse tijdens de
eerste buiten wedstrijd in Wierden en wist al direct een vierde plaats te
behalen.
Er was een nieuw frame en aandrijflijn gemaakt, tevens was de motor getuned,
de uitlaat turbo's verwijdert en in de motor waren de nodige aanpassingen
gemaakt, zodat deze hogere toeren kon draaien en eventueel ook op methanol als
brandstof kon draaien. Omdat dit alles klaar was waren we weer volop in de rees
voor een kampioenschap.Twee jaar van flinke tegenstand op de wedstrijdbanen
gingen voorbij maar eindelijk in 1995 waren we Nederlandskampioen.
Techniek
White Horse VI
Om
een inzicht te geven in wat een Wright allemaal herbergt aan techniek, nemen we
de motor stapsgewijs met u door. White Horse V is uitgerust met een Wright type
R 3350-36WA stermotor. Dit is meteen het zwaarste type. Er bestaat ook een qua
gewicht lichtere Franse versie (zoals de Deense Star Fighter gebruikt) met
hetzelfde motorvermogen. Overigens heet de motor gewoon Wright: Curtiss-Wright
(Corporation) is de naam van het concern waartoe Wright Aeronautical
Corporation, de producent van de achttiencilinder stermotor, behoort.
De
motor is globaal opgebouwd uit vijf afzonderlijke delen. In het eerste deel
zit de overbrengingskast van de krukas naar de propeller. De krukas drijft
niet rechtstreeks de propeller aan. Het gaat hier om een planetair stelsel met
maar liefst 21 tandwielen. Het planetair stelsel verlaagt het toerental (overbrengingsverhouding
0,4375:1).
Het
tweede deel, het motorcarter, bestaat uit vier tegen elkaar aangeschroefde 'deksels'.
De carters zijn tussen de cilinders en over de boringen van de cilinderrijen
deelbaar. Met een speciale sleutel zijn de bouten om de motor te delen door de
cilinderboringen te bereiken. 216 bouten houden de deksels lekvrij tegen elkaar.
De doorsnee van een carterhelft is ruim 90 cm. Op dit carter zitten de 18
luchtgekoelde cilinders. Maar liefst 396 bouten houden de cilinders netjes op
hun plaats.
De
cilinders hebben elk een inhoud van 3,04 liter (boring x slag van 155,6 en 160,2
mm) Om u een idee te geven: een cilinder van een Griffon heeft ongeveer dezelfde
inhoud. Verder heeft elke cilinder twee met natrium gevulde kleppen. Het natrium
zorgt ervoor dat de temperatuur van de kleppen ten opzichte van gewone kleppen
ongeveer 175 graden lager is. Om het enorme zuigeroppervlak compleet te
bestrijken heeft elke cilinder twee bougies, net als bij een Griffon of Allison.
Het koeloppervlak per cilinder is 14 m2. Ondanks dat grote oppervlak
wordt de motor nu nog vaak te heet. Een kale cilinder weegt 27 kg. Apart is
dat de zuiger is uitgevoerd met een zwevende pistonpen. Verder is de zuiger
opvallend plat (10 cm). Dit kan omdat de cilinders relatief ver van de krukas
zitten. De maximale hoek tussen zuiger en drijfstang blijft vrij klein, waardoor
het kantelgevaar klein is. Omdat de zuigers zo plat zijn, wegen ze maar drie
kilo per stuk.
Deelbare krukas
Centraal
in beide carterhelften ligt (natuurlijk) de met twee kruktappen uitgeruste
krukas. Apart is de bevestiging van de drijfstangen aan de krukas. De kruktap
loopt niet door de drijfstangen, maar door een dubbele schijf. Deze dubbele
schijf zit star aan een drijfstang (het exemplaar dat verticaal staat, in
verband met de balans). De overige acht drijfstangen zijn rondom scharnierend
tussen de dubbele schijf bevestigd. Als de krukas draait, houdt de starre
drijfstang de dubbele schijf netjes in de juiste stand, de schijf kan dus niet
verdraaien.
Deze
twee dubbele schijven (elke cilinderrij één) zijn niet deelbaar. Om ze te
demonteren of om de krukas te demonteren moet je de deelbare krukas uit elkaar
draaien. Dat kan bij de beide kruktappen. De kruktap zit namelijk met behulp van
een speciale rekbout om de krukwang geklemd. Om deze los te draaien gebruik je
een speciale, 2,5 meter (!) lange sleutel. Je moet met twee man aan het eind van
de 'sleutel' gaan hangen om de bout los te krijgen.
Om
de enorme krachten in het blok soepel op te vangen is de krukas gelagerd in
rollagers, de drijfstangschijf en drijfstangen lopen in glijlagers. Het
kleppenmechanisme werkt (ouderwets) via tuimelaars en stoterstangen. De
stoterstangen worden op hun beurt aangedreven door een tweetal nokkenasschijven.
Deze schijven hebben binnenvertanding. De aandrijving hiervan loopt via een
tandwielcombinatie vanaf de krukas om de vertraging van 1 op 2 te krijgen. De
schijven liggen aan beide buitenzijden van de carterhelften.
Uitlaatturbo's
(Op
dit moment zijn deze niet meer van toepassing)
In
deel drie huist de overbrenging van de drie uitlaatturbo's. De armdikke
uitlaten van zes cilinders monden te zamen uit in een uitlaatturbo (met een
diameter van 30 cm). De drie uitlaatturbo's geven elk hun energie via een haakse
overbrenging af aan elk een eigen vloeistofkoppeling, die op zijn beurt
via een tandwielcombinatie de krukas aandrijft.
Met
dit zogenaamde turbocompound-systeem benut de motor de stuwkracht van de
uitlaatgassen. Het toerental van het schoepenwiel wordt aan de bovenzijde
begrensd door de viscositeit van de olie. De schoepenwielen draaien maximaal
24.000 tpm. Als de uitlaatturbo te hoog in toeren komt, breekt een speciale 'breekschoep'
af. Die kort de overige schoepen een centimetertje in, zodat de turbo zijn
vermogen verliest. Je kunt dus ongehinderd doorrijden zonder gevaar voor motor
of mens.
Na de uitlaatturbo's komt deel vijf, de compressor. Deze compressor, een centrifugaalcompressor, kent twee standen. Normaal staat de compressor in de laagste stand. Hij draait dan zes maal het krukastoerental en levert 2,5 bar overdruk. In stand twee draait de compressor acht maal het krukastoerental. Deze stand is oorspronkelijk bedoeld voor vliegen in ijlere lucht (op grote hoogte). Je moet die ijlere lucht immers meer samenpersen om die 2,5 bar overdruk te halen.De compressor stuurt ook de waterinjectie en de alcoholinjectie aan.
Onmogelijke opgave
De
Wright is duidelijk geen standaardmotortje dat zich gemakkelijk laat opvoeren.
Het is een ver doorontwikkelde motor, met tal van ingenieuze ingrediënten,
waar je beter vanaf kunt blijven. Vele tandwielen en tandwieltjes, allemaal zo
licht mogelijk uitgevoerd en zo compact mogelijk ingebouwd. Toch gaan de
mannen uit Uden de motor opvoeren. Want een tweede motor plaatsen is onmogelijk.
Deze kunnen ze door de enorme grootte (1,60 meter diameter en 1600 kg zwaar)
niet binnen de vastgestelde maten houden. Het opvoeren van de motor moet deze
niet alleen sterker maken, maar vooral ook betrouwbaarder. Het hele seizoen
probleemloos meedraaien is hun voornaamste uitgangspunt.
Het
opvoeren begon met het bestuderen van het tweedelige werkplaatsboek. Volgens
Gerrit van den Oever een klus op zich. De heren kwamen afgelopen winter tot de
slotsom dat alcoholinjectie de eenvoudigste en meest doeltreffende oplossing
was. Na seizoen op methanol gereden te hebben zijn we nu weer bij het orginale
brandstof systeem terug. Om met methanol te rijden is toch te veel werk U moet
zich hierbij voorstellen dat er c.a. 85 liter methanol per sec. in de motor moet
komen en dat was een zeer moeilijk karwij. En verder moest alle brandstof na de
wedstrijd worden afgetapt en het systeem met bezine worden doorgespoelt, de
motorolie worden gereinigd van methanol d.m.v. een verdampings proses, en dat is
elke keer c.a. 70 liter. Voordeel van alcohol is dat de motor minder heet wordt.
En dat is nu juist het grootste probleem. Met name voor de olie is dit gunstig,
deze behoudt beter zijn juiste viscositeit. De kans dat de uitlaatturbo's op
hol slaan is dan veel kleiner. Volledige alcoholinjectie houdt ook in dat de
ontsteking flink vervroegd moet worden. Alcohol verbrandt immers traag. Hier
komen de dubbele bougies van pas. Deze zorgen ervoor dat de verbranding sneller
op gang komt en dus ook sneller verloopt. Ook de energetische waarde van
alcohol is ten opzichte van de vliegtuigbrandstof hoger, ongeblazen zo'n 6%,
geblazen vele malen meer. Verder heeft alcohol een uitermate hoge klopvastheid.
Dat betekent dat je de compressie enorm kunt opvoeren. Bij een ongeblazen motor
is theoretisch een compressieverhouding tot 15 : 1 mogelijk. In het geval van de
Wright komt de tweede stand van de compressor goed van pas. Daarmee kan de
compressie eenvoudig worden opgevoerd. Koppen afvlakken is er bij een Wright
niet bij, omdat de gehele cilinder inclusief kop uit één stuk is gemaakt.
Theoretisch kan de cilindervoet worden afgevlakt, maar de praktijk heeft
geleerd dat deze dan te zwak wordt en dus zal kromtrekken. Ook moet de olie, die
het toerental van de uitlaatturbo's begrenst, worden aangepast aan deze hogere
drukken.
Alcoholproblemen
Begin
dit seizoen begonnen de mannen uit Uden voorzichtig met alcoholinjectie te
experimenteren. Voor een Wright is geen standaard injectieset, zoals
bijvoorbeeld voor een Allison, te koop. Zelf een alcoholinjectie bouwen is niet
eenvoudig. Dat ondervonden de mannen al snel. Het begon met gecorrodeerde
carburateurleidingen omdat het daar toegepaste aluminium niet alcoholbestendig
was. Dit probleem is opgelost door aparte leidingen aan te brengen.
Een
volgend probleem vormden de glijlagers van de centrale drijfstangschijven. Als
deze te warm worden, krimpen ze van de motor af. Door de passingen in de
drijfstangschijven iets te verruimen (lichtere perspassing) is het probleem
in eerste instantie opgelost. Door de toerenbegrenzer te wijzigen hadden ze het
toerental van de motor al verhoogd van 2700 tot 3400 tpm. Hoger kan niet, omdat
dan de zuigersnelheid te hoog wordt. De mannen gaan ervan uit dat nu de
sleepwagen in combinatie met de juiste versnelling het toerental begrenst. Lukt
dit niet, dan breekt vanzelf een breekschoep in de uitlaatturbo. Andere
mogelijkheden om het blok verder op te voeren zijn er eigenlijk niet meer. Men
heeft met vliegtuigmotor-deskundige Piet de Haan als eens voorzichtig
gesproken over een derde cilinderrij, maar dat levert zoveel technische
problemen op dat deze optie bestempeld is tot droom. Denk eens aan het
balanceren van de eigengemaakte krukas, de distributie, de uitlaatturbo's, om
maar niet te praten over hitteproblemen met de middelste rij cilinders.
Hoeveel
vermogen de motor gaat leveren, durft Gerrit van den Oever niet te zeggen. 'Dat
weten we pas als we getrokken hebben, dat is de eerlijkste en beste graadmeter.'
Koppeling
Vijf
plaats crower, dit is een centerfugaal model dat speciaal in U.S.A. word gemaakt
voor dit soort sport.
Gewicht
Naast
het opvoeren hebben de mannen het gewicht zover terug gebracht dat ze in de
vrije klasse 3,4 ton uit kunnen komen. Bovendien wordt het uiterlijk er fraaier
op. Dat laatste telt ook zwaar mee bij de Udense mannen. We mogen dus gerust
stellen dat het niet eenvoudig is om de VI op te fokken tot een regelrechte
titelkandidaat. De gecompliceerde motor en de ongunstige balans verhinderen
dit. Toch gaan de mannen uit Uden door met de experimenten aan de ster. Niet
omdat ze per se willen winnen, maar gewoon om mee te doen. Mee te doen met een
exclusieve trekker, die niet alleen sterk is, maar er ook mooi uit ziet. Als
het de mannen lukt om meer vermogen uit de motor krijgen, en we White Horse VI
dit jaar dus pijlsnel over de baan zien schieten, dan weten we één ding zeker.
Hier is een knap stukje werk geleverd. Hopelijk ziet het publiek dat ook.
Meer adempauze
Gerrit
van den Oever pleit voor meer adempauze in het seizoen. Afgelopen jaar stond
bijna elke week een wedstrijd op het programma. Hierdoor heb je amper tijd van
sleutelen. Het meedoen wordt dan een langdurige wedloop tegen de klok. Een
langer seizoen met wedstrijden eens in de veertien dagen geeft de teams meer
rust. De tractoren zullen beter
geprepareerd op de baan verschijnen. Dat komt het wedstrijdelement alleen maar
ten goede. Organisatoren van wedstrijden profiteren hier ook van, omdat de
kans dat op een compleet deelnemersveld groter is. Daarnaast wijst Gerrit erop
dat het hele tractor pulling gebeuren voornamelijk een hobbykwestie is.
Evenals bij vele andere teams staat bij het White Horse team niet het winnen,
maar het meedoen centraal. Dat laatste vormt bij steeds meer teams een probleem.
Motoren op een rij
Als
je de technische gegeven van een Allison, een Griffon en een Wright op een rij
zet, dan blijkt dat een Wright standaard per liter inhoud het meeste vermogen
levert. Dat betekent dat dit blok standaard ook het meest opgevoerd is, en dus
het moeilijkst op te voeren is.
motor (standaard)
inh.(l) gewicht
vermogen verm./l
verm/kg
Allison
27
700 1400
pk
52 pk 2,0
pk
RR
Griffon
36,7 900
2000 pk
60 pk 2,4
pk
Wright
54,9 1600
3700 pk
67 pk 3,3
pk

![]()
TV-3M
freepower gas-turbine engines.Having these, we used almost evrey excisting type
of engines: at first the DAF diesel truck- motor, then the V8 petrol-engines,
the Allison V12 aircraft-engine and recently the Curtis Wright 18 cylinder
radial engine. The latest type is the Isotov freepower gas-turbine engine. On
In sept 1995 zijn we overgestapt naar turbine motoren, dit werden Isotov free
power turbine motoren type TV3M. Hiermee hebben we dan bijna alle bestaande type
verbrandingsmotoren gebruikt.
Eerst Daf diesel motor, dan V8 benzine motoren, dan Allison V12 vliegtuigmotoren,
dan Curtis Wright 18 cilinder ster vliegtuigmotoren en nu dus de Isotov free
power turbine vliegtuigmotoren.
Op 14 okt 1995 was het team in bezit van vier turbine motoren, en toen moest er
natuurlijk hard gewerkt worden om deze motoren samen te bouwen tot een tractor.
Het was voor het team een totaal nieuwe uitdaging. Alhoewel we al gehoord hadden,
dat er in België al bijna een turbine tractor klaar was, maar deze was toen nog
uitgevoerd met twee motoren. En wij wilden graag de eerste zijn met vier van
deze Isotov turbine's.
Toen ook na bijna een jaar een start wagen (JAS Jet Air Starter) in ons bezit
was konden we de motoren zelf starten, voor die tijd moesten naar de vliegbasis,
maar dit was niet verkeerd want met de drie proefstart die we daar gemaakt
hebben, is ons k uitgelegd wat we aan veiligheid moesten aanbrengen, om de
motoren veilig te kunnen starten en laten draaien. Ook de gegevens voor het
computer systeem hebben we toen kunnen meten.
Na zeer veel passen en meten, en later afmonteren van alle delen, kon dan
eindelijk de eerste proeftrek worden gemaakt, we hadden samen met Piet Reijders
alles georganiseerd voor deze test dag. Na de eerste poging moesten we al
opgeven wegens schade aan de aandrijflijn. Het hoge toerental van de
aandrijflijn, en het grote vermogen waren we nog niet gewend, en ook de priceas
rem vonden we nog niet optimaal. En het zelfstandig rijden was een groot
probleem of beter gezegd, dit ging ook niet zoals we hadden berekend en
geconstrueerd. Maar zolang als je niet met de tractor kunt testen, kan je ook
geen fouten of mankementen opsporen en verbeteren. Toen we het zelf rijden later
onder de knie hadden, werd dit spontaan door de NTTO en ETPC verboden voor
turbine aangedreven machines. Dus alles werd weer gewijzigd, en wij vonden en
vinden dit nog steeds een goede beslissing. Maar amper een jaar later werd het
zelfstandig vanuit de pits naar de baan rijden weer verplicht gesteld. Foutje
want daar trapt het team niet in, dit was volgens andere concurrentie vervalsing
in verband met gewicht. Toen is ons team bij de A-div. gestopt en naar de BKTV
gegaan daar mag men namelijk niet zelfstandig onaangehaakt rondrijden. En ook
later op div. wedstrijden onder auspiciën van ETPC mocht men niet zelfstandig
rijden. Dus een willekeur is er heden ten dagen nog steeds. We hebben met deze
White Horse VII steeds goed boven in de top kunnen rijden, ondanks de steeds
weer moeilijker worden van de veiligheids normen. Er gaat geen jaar voorbij of
de concurrentie bedenkt weer een regel om het de turbine deelnemer moeilijker te
maken. We hebben door de jaren heen
de machine steeds verbeterd, tot een betrouwbare puller. Op dit moment is de
machine uitgevoerd met drie motoren, omdat de puntentelling voor motorvermogen
de laatste jaren het niet toelaat om met vier motoren aan de start te komen. (Als
men goed is wordt men gestraft met regelgeving, een turbine tractor heeft een
zeer zwaar leven binnen NTTO en ETPC) Op dit moment staat de tractor stil,
geheel geconserveerd staat hij te wachten op sponsoren om weer deel te kunnen
nemen aan de strijd op de wedstrijd banen.
Wie denkt
dat de Formule 1 de ultieme uiting van motorische kracht is, heeft nog nooit een
wedstrijd tractorpulling bijgewoond. Een beestachtig aantal PK’s zorgt ervoor
dat de tractoren binnen een parcours van 100 meter een wielsnelheid halen van
160 kilometer per uur. Een van de meest gerenommeerde exponenten is het White
Horse Team uit Uden, het enige team dat in alle klassen een Nederlandse en
Europese titel heeft. Momenteel racet het met de White Horse VII, een tractor (ledig
gewicht: drieduizend kilo) met vier vliegtuigmotoren, goed voor achtduizend (!)
PK. Speciale tractorpullingbanden zijn er voor nodig. De Molen Banden is sponsor
van de Stichting Tractor Pulling Uden (STPU)
In een
loods op een boerderij in Uden, daar staat de White Horse VII. Meermalen per
week sleutelen de teamleden hier aan deze krachtpatser, om zo de motorische
prestaties te vervolmaken. Dit al 23 jaar, want zolang bestaat het team. In 1977
beleefde Tractorpulling haar Nederlandse introductie, anno 2001 zijn er in ons
land zo’n honderd beoefenaars en is het niveau hoog. Al vele Europese titels
wonnen de Nederlanders. Zo ook het White Horse Team, waarvan een wand vol bekers
(de rest staat in dozen en bij leden thuis) de blinkende bewijzen vormen.
Vliegtuigmotoren
Zeven
tractoren bouwde het White Horse Team tot nu toe, en met al deze krachtpatsers
behaalde het Europese en Nederlandse podiumplaatsen. Voorzitter Willie van
Dommelen: ‘We zijn ook het enige team dat alle soorten motoren heeft gebruikt:
diesel, V8 (benzine en methanol), V12 Allison vliegtuig engine, de 18 cilinder
Curtiss Wright type R3350-36WA Ster-motor en nu de Isotov free power turbine
engine type: TV3-117. Bijna allemaal vliegtuigmotoren, want die hebben een hoog
vermogen en een laag gewicht en leveren dus het beste rendement. De 12V
cilindermotor kwam uit een P51 Mustand gevechtsjager uit 1938, de 18 cilinder
stermotor uit de Neptune bommenwerper en de turbinemotors van een Russische
gevechtshelikopter type: MIL Mi-24 known to NATO as ‘Hind-D’. We rijden in
de 3,4 ton vrije klasse met drie turbines en in de 4,5 tons klasse met vier
turbines. Afhankelijk van de klasse, wordt een motor geplaatst of gedemonteerd’.
Hard
loopvlak, soepele zijwanden
Pas op de
dag van de wedstrijd bepaalt het team de strategie. PR-manager Peter van der
Akker: ‘Op basis van de ondergrond (kleibaan of zandgrond, droog of erg
vochtig), het weer en het wedstrijdverloop stellen we vast hoeveel balansgewicht
nodig is. En: hoe hard we de banden moeten oppompen. Tractorpullingbanden hebben
een hard loopvlak en soepele zijwanden. Daarmee creëer je de benodigde
weerstand. De wielen gaan met een snelheid van 140 tot 160 kilometer per uur
rond, en het is daarbij zaak dat de banden constant grip op de baan houden voor
een zo hoog mogelijk snelheid. Ook de profielhoogte is van belang. Het verkeerde
profiel kan ertoe leiden de tractor zichzelf te snel ingraaft en de aandrijving
kapot gaat. Verder moeten de banden, die we overigens zelf slijpen, in goede
conditie verkeren. Een slechte band kan uit elkaar spatten en de tractor op
z’n kop gooien’.
Tractorpulling wordt beoefend met behulp van een sleepwagen, een soort oplegger die van voren niet op wielen maar op een slee rust. Volledig belast weegt deze zo’n 25.000 kilo. Aan het begin van elke trekpoging staat de ballastbak met de gewichten achter op de sleepwagen. Tijdens de trek komt deze bak naar voren, zodat de sleepwagen elke meter zwaarder wordt belast op de slede, die aan de onderzijde is voorzien van strips die minder of meer uitgezet kunnen worden om nog een grotere weerstand te creëren. Het is de kunst zoveel mogelijk kracht (en dus snelheid) te ontwikkelen zodat men de sleepwagen naar of over honderd meter kan trekken (Full Pull). De tractor die de grootste afstand trekt, wint.

![]()
En ondertussen werd in het bestuur
gedacht aan iets nieuws, omdat we in 2004 vijfentwintig jaar zouden bestaan en
nog niet alles gehad hadden werd besloten om met truck pulling te beginnen. Dit
lag en ligt binnen NTTO A-div. op zijn gat terwijl er een grote T in de naam
staat van “Truck” dus een nieuwe
uitdaging voor ons team was geboren.
Op woensdag 15 jan. 2003 hadden we een eerste afspraak met een van onze trouwe
sponsors Paul Mestebeld, en het gesprek ging over tractor pulling
in al zijn facetten en op het laatst van de avond over truck pulling. Dat
er in Nederland al weer trucks truck pulling beoefende op wilde en op NTTO
georganiseerde wedstrijden. En dat wij dit spel binnen de regels van NTTO wilden
gaan beoefenen, maar daarvoor moesten we wel een truck hebben. En dan ben je bij
Mestebeld op het juiste adres, import en export en sloop voor alles kan men hier
slagen. Hun export gaat naar meer dan 80 landen in de wereld.